Column Sheila Sitalsing

Dit stukje heb ik getikt in de bibliotheek.

In mijn bibliotheek, die allang geen bibliotheek meer is, maar een polygaam huwelijk tussen een eetcafé, een centrum voor muziek-, dans- en schildercursussen, een open podium voor allerhande culturele activiteiten, een flexwerkplek voor eenzame zzp’ers, een krantenleeszaal voor mensen zonder abonnement, en jawel, een plek om door boekenkasten te struinen en boeken te lenen.

Het is een plek waar niemand je gek aankijkt als je er vijf uur aaneen rondhangt, of zeven uur, of negen, want mij bieb is open van smorgens vroeg tot ‘savonds laat. De toegang is gratis, het open podium is gratis, het lezen van kranten is gratis, de wc is er gratis, in boekenkasten snuffelen is gratis, de wifi is gratis, en ook als je er drieënhalf hebt rondgelummeld, is er niemand die zegt dat je een chai latte van 6 euro 98 moet aanschaffen, of anders moet ophoepelen.

Dit stukje heb ik getikt aan een tafeltje dat ik deelde met twee bejaarde dames die na het boeken uitzoeken een kopje koffie aan het drinken waren en die van mij wilden weten wat ik vind van Desi Bouterse. Aan de tafel links zat de breakdanceleraar van mijn dochtertje met wat mensen te vergaderen over het organiseren van een breakdancebattle, een tafel verder zat een groep meisjes van de middelbare school huiswerk te maken, en op het open podium werden ondertussen peuters en kleuters voorgelezen uit Moppereend – dat is een geweldig prentenboek dat onlangs is uitgeroepen tot prentenboek van 2020.

Mijn bibliotheek leeft.

Dat is geen vanzelfsprekendheid; er zijn tijden geweest dat mijn dorp geen rode cent meer had, en kinderboerderijen, zwembaden, culturele centra en de bibliotheek m allemaal enorm zaten te knijpen. Je leest nogal eens dat gemeenten vooral hebben moeten bezuinigen op dit soort voorzieningen nadat ze de verantwoordelijkheid kregen voor de jeugdzorg en de langdurige zorg, een decentralisatie die gepaard ging met bezuinigingen.
Maar in mijn dorp waren ze er al in geslaagd om lang daarvoor bijna failliet te gaan. Wij hadden genoeg aan een megalomane wethouder die natte dromen droomde over infrastructurele projecten en vastgoed – nou berg je dan maar, als weerloze bibliotheek.

Maar godlof, met wat schuiven en indikken en knippen en plakken en samenvoegen, is er op de ruïnes van het mislukte wethouderschap een nieuw dorpshuis verrezen, voor taal- en cultuureducatie.

Er worden boeken uitgeleend, er is een taalhuis voor laaggeletterden en anderstaligen, er zijn voorleesdagen, er is leesondersteuningen en er zijn dependances op basisscholen, waar elk kind een biebpas krijgt en waar ze vechten om De Waanzinnige Boomhut van 91 Verdiepingen, het meest uitgeleende boek van 2019.

En er is dus een scala aan activiteiten die met het uitleven van boeken weinig te maken hebben, maar wel met ontmoeten en met jezelf ontwikkelen en met het bestrijden van eenzaamheid en met meedoen en met samenkomen. Dat is ook de trend in de wereld van de bibliotheken: minder uitleningen, meer bezoekers. 

Twee weken geleden ging mijn collega Toine Heijmans bij de Volkskrant langs in Hardegarijp in Friesland, waar de bibliotheek op omvallen staat. In Witmarsum verdween de bieb vijf jaar geleden al. In een gebied waar de laaggeletterdheid 13 procent is. Ze staan in een treurige traditie: er zijn de afgelopen jaren honderden bibliotheken gesloten. Er vallen grote woorden: ‘Een nationale schande.’ ‘Een ramp die zich in stilte voltrekt.’ En een Den Haag waar ze liever werken aan een fonds met tientallen miljarden, te besteden aan robotica en kunstmatige intelligentie en infrastructuur. Echte dingen.

Waarin een schatrijk land armzalig kan zijn.